In zijn boek Canon van Participatie en Diversiteit beschrijft hoogleraar Interculturele Communicatie David Pinto een misverstand. Hij constateert dat het integratiebeleid in het westen, wellicht onbewust, nog steeds uitgaat van de dominantie van de westerse cultuur, omdat de hoogste waarden die daarin gelden, worden opgelegd aan niet-westerse migranten. In de westerse cultuur is de hoogste waarde die van zelfontplooiing, zelfverwerkelijking van het individu in de externe omgeving. Dat is een vrij grofmazige structuur, omdat het individu zich daarin spiegelt aan een aantal vooronderstellingen over die omgeving en daarmee als het ware 'genoegen neemt'. We hanteren graag termen als 'een bijdrage leveren' of 'een rol spelen' als uitingen van ons persoonlijk succes. Niet-westerse culturen zijn veel fijnmaziger. Aan de top van het waardenstelsel staan daar zaken als groepsbelang, de familie, eer.
Als je er even goed bij stilstaat, is het natuurlijk onzin hoe wij denken over integratie. We mogen van migranten eisen dat ze zich in het publieke domein volledig onderwerpen aan de daarin heersende normen, waarden en gebruiken; maar dat is nog iets anders dan te eisen dat migranten anders gaan denken, dat ze een soort medelanders worden. Anders gezegd: Pinto pleit voor een wederzijdse acceptatie van verschillen: het gastland accepteert (en werkelijk!) dat de migrant in zijn eigen kring zijn eigen cultuur heeft, koestert en nastreeft; de migrant op zijn beurt accepteert dat hij in het publieke domein zich gedraagt volgens de daarin geldende maatstaven. Je kunt dat een soort waardenruilhandel noemen, maar ook wederzijds respect. In ieder geval leidt het tot het inzicht dat het niet om integratie moet gaan, maar om participatie; niet om beïnvloeding, maar om een min of meer pragmatische kijk op dingen, juist vanuit het respect dat daarin wederzijds verscholen ligt.
In de linguïstiek is tweetaligheid een apart studiegebied. Een bekend model voor bilinguïsten is dat van het 'foreign home'. Vreemdelingen hanteren daarbij een strikte talige scheiding bij de voordeur: binnen is alles in de taal van het land van herkomst, buiten in die van het gastland. Maar dan wel consequent: ook onderling, en met nastreven van perfectie in die tweede taal. Het model werkt, weten we ondertussen. En als taal en cultuur zo hecht verweven zijn, waarom zou een dergelijke opvatting dan ook niet werken in het bredere perspectief van de cultuur?
